1112 Tita en noemen/heten

Mijn oog valt onmiddellijk op dt-fouten. Als ik een klein kind een werkwoord fout hoor vervoegen, heb ik de neiging om het te verbeteren. Ook al vind ik het zo schattig klinken. En ik hoor het onmiddellijk als mensen “noemen” en “heten” verwarren. Volwassenen, ja.

Lief doet dat dus ook. Al beweert hij dat hij “noemen” zegt als hij dialect praat en “heten” wanneer hij AN praat. Maar hij kent het verschil wel. En hij weet dat ik het onmiddellijk hoor en leert bij. Ondertussen verbetert hij zich zelf al nog voor ik de kans krijg er iets van te zeggen. En dan kijkt hij zo eens met een ondeugend lachje naar mij. Dan kan ik het niet laten om eens terug te lachen met een “ha”-blik. Waarop hij reageert met “Zeg”. 🙂

Maar het kan nog erger. Mijn eigen moeder zegt het ook constant verkeerd. En zij begrijpt het verschil niet. Laatst heb ik het haar voor de zoveelste keer nog maar eens uitgelegd. Maar het ging er niet in. Het is nochtans simpel: eigenlijk moet je altijd “heten” zeggen, behalve als je net een kind krijgt en het een naam geeft. Haar antwoord: “Ik vind “noemen” veel mooier klinken dan “heten”.” En toen waren we uitgepraat natuurlijk. 🙂

 

898 Tita en het Groot Dictee der Nederlandse Taal

Op 17 december gaat het 25e Groot Dictee der Nederlandse Taal door. Helaas is het een woensdagavond en dan heb ik zangles. Nochtans wil ik dat eigenlijk al lang eens een keertje mee volgen. En eens kijken wat ik er zelf van bak.

Ik ben geen specialist maar ik heb wel een beetje een oog voor schrijffouten en taal op zich. Ik ben redelijk goed in dingen verwoorden, in dingen op een andere manier beschrijven, synoniemen,… Het is iets dat ik altijd al heel leuk vond. En ik vermoed dat het te maken heeft met het feit dat ik zo veel lees. Maar ik schrijf zeker niet foutloos. Hoewel ik er wel op probeer te letten.

Deze week leerde ik de Mams nog het verschil tussen “noemen” en “heten”. Mijn moeder is nochtans geen onverstandige vrouw, maar op gebied van taal vrees ik toch dat ik haar meerdere ben. Tot ik begin te praten over mijn “heus om de noek te steken”. En nee, ik ben dan niet zat.